Zo luidde de titel van de eerste sheet van de presentatie van Hozan Zebari op het OVN-congres. Wanneer je de getallen uit de grafiek haalt en in geschreven regels zet, komt het antwoord wel binnen. De vraag wordt vaak gesteld of het ‘kleine beetje winst’ de moeite waard is. We weten dat elke dioptrie vermindering van myopie de kans op maculadegeneratie kan reduceren met 40%.
“Het is echt nodig dat we het effect van myopie beperken”, zegt Hozan Zebari, promovendus optometrist aan het Erasmus MC en Radboudumc. “In de laatste 100 jaar is myopie – met de daarbij behorende schade – enorm toegenomen. De interventiemogelijkheden die we nu hebben, zijn leefstijladviezen, atropine, myopieremmende brillenglazen en contactlenzen, plus natuurlijk de combinatiebehandelingen.
Er wordt momenteel onderzoek gedaan naar lichtstudies (RLRL-apparaat). We zijn vanuit Erasmus MC gestart met een breedschalig real-life web-based onderzoek naar myopie: CO-MY, wat staat voor Control Myopia in the Netherlands. Het is een longitudinale studie waarin retro- en prospectieve gegevens verzameld zullen worden en waaraan alle oogprofessionals mogen deelnemen. Het betreft data verzamelen en deze online insturen.
Het behandelpatroon wordt per individu zichtbaar gemaakt in een ‘dashboard’, inclusief een aslengtegrafiek en behandeltypes, duur van de behandeling en de te selecteren refractie- en aslengteverschillen aan de hand van de ingevoerde data. Op die manier krijgen we inzicht in wat we als Nederland doen en wat de effectiviteit is van behandelingen. Op basis daarvan willen we werken aan patiënt-specifieke myopiebehandelingen.” (Informatie en aanmelden kan via [email protected].)
Rumeysa Tezgel, optometrist en beheerder productmanagement bij Visser Contactlenzen, ging in op de diverse optische interventiecontactlenzen: “Belangrijk is dat je naast het verzamelen van alle meetgegevens goed luistert naar kind en ouders. Zwemt het kind veel? Is het fulltime dragen van lenzen een optie? Speelt budget een rol bij de keuze?”
Nike Erichsen, optometrist/orthoptist in het Flevoziekenhuis en bij Yoep Oogzorg in Utrecht, besteedde aandacht aan interventiebrillenglazen. “De ontwikkelingen in de glazen gaan enorm hard en er wordt veel op de markt gebracht. Het is een interventie die niet invasief is en voor veel ouders een toegankelijke keus kan zijn om toch met myopieremming te starten. Toch is onderling vergelijken van de glazen erg lastig; daarvoor is meer onderzoek nodig”.
‘Het ontrafelen van de verborgen variabelen’, was de naam van de boeiende workshop van Daisy Laan, optometrist/orthoptist in het Flevoziekenhuis en docent/onderzoeker aan de Hogeschool Utrecht, en Karin van Hees, optometrist, FBCLA en voorzitter contactlenzencommissie van de OVN. “Niet elke aslengte blijkt hetzelfde, soms komen we voor verrassingen te staan.” Daisy en Karin gingen dieper in op welke factoren de aslengtemeting bij een kind kan beïnvloeden en welke variabelen je in overweging moet nemen. Kortom, interpreteer jij de gegevens wel juist?
“Tot welke laag in het netvlies je de aslengte meet, kan per apparaat verschillen. Dus pas op als je met verschillende apparaten werkt. En let ook op externe factoren zoals beweging, droge ogen en de hoofdstand van de patiënt. De aslengte plotten we vervolgens in de Tideman-grafiek. Hiermee kunnen we voorspellen wat de verwachte groeicurve kan zijn. Maar let op, er zijn valkuilen”, vertellen ze.
Aan de hand van verschillende casussen werd de zaal uitgedaagd om in te schatten in welk percentiel de patiënt zou vallen. Een kind van 7 jaar, refractie S-3.00 en S-2.50. Vader heeft een sterkte van S-8.00 en moeder S-7.00. Dat zijn een hoop risicofactoren voor hoge myopie, je zou bijna direct een interventie willen starten. Echter, in dit geval wordt de sterkte niet veroorzaakt door de aslengte, maar door de extreem steile cornea-kromming. De aslengte bleek ook op de 50e percentiellijn te zitten. Met een aslengte die nog relatief kort is, is het advies om voorlopig enkelvoudige correctie toe te passen. De eventuele groei van de aslengte wordt uiteraard gemonitord en indien de groei te snel gaat, kan interventie alsnog worden gestart.
Andersom zorgt een relatief vlakke cornea voor minder breking en daarmee voor een relatief langere aslengte dan je verwacht bij de refractieafwijking. Deze kinderen zitten vaak al op een hoger percentiel met de aslengtemeting, waarbij behandeling eerder gewenst is. Het loont dus om bij metingen bij kinderen te letten op de corneakromming. Het is een extra factor om een completer beeld te krijgen van de situatie op basis waarvan je kunt beslissen of je al gaat behandelen of niet. De aslengte en aslengtegroei blijven uiteindelijk de doorslag geven.
Op woensdag 18 juni 2025 vindt een nieuw webinar over myopie plaats, waarbij dieper wordt ingegaan op de invloeden van de corneakromming op de refractie en aslengte. Ook wordt behandeling met atropine en de lopende onderzoeken daarnaar verder toegelicht. Houd de aankondiging van de OVN en NVVO in de gaten.
Karin van Hees, Daisy Laan en Hozan Zebari
Tags: Myopiemanagement, OVN Congres 2025